Korte samenvatting
Ser = identiteit, beroep, herkomst, kenmerkende eigenschappen, bezit, tijd en datums.
Estar = plaats, tijdelijke toestanden, gevoelens, voortdurende handelingen.
Ser: sou, é, somos, são · Estar: estou, está, estamos, estão (a gente → é / está).
Een paar bijvoeglijke naamwoorden veranderen van betekenis: ser bom (aardig zijn) tegenover estar bom (zich goed voelen/lekker smaken).
Mensen en verplaatsbare voorwerpen krijgen meestal estar voor hun plaats; vaste plekken kunnen ook ser of ficar krijgen, en de plaats van een gebeurtenis krijgt ser: A festa é no clube.
Beide werkwoorden zijn onregelmatig: leer ze uit je hoofd.