Korte samenvatting
Ter (hebben): tenho, tem, temos, têm — bezit, leeftijd, verplichting, ‘er is/er zijn’.
Ir (gaan): vou, vai, vamos, vão — beweging en de alledaagse toekomst (ir + infinitief).
Fazer (doen/maken): faço, faz, fazemos, fazem — activiteiten en het weer.
Alle drie hebben onregelmatige vormen: leer ze uit je hoofd (a gente → tem / vai / faz).
Leeftijd gebruikt ter, niet ser/estar: Tenho vinte anos.
Onpersoonlijke weeruitdrukkingen en existentiële constructies gebruiken faz / tem in de derde persoon enkelvoud.