Korte samenvatting
Em = in/op/bij (plaats): em casa, no Brasil
De = van/uit/over (bezit): casa de João, sou de SP
Para = naar/voor (bestemming/doel): para casa, para você
Com = met (samen): com amigos, café com leite
Por = door/via/voor (reden/route): por favor, pelo parque
De, em en por trekken normaal samen met bepaalde lidwoorden: de + o = do, em + a = na. In formele schrijftaal blijft het voorzetsel los vóór het onderwerp van een infinitief.
Para wordt in informele spreektaal vaak pra/pro; de volledige vorm wordt ook gebruikt.
Leer het voorzetsel bij het werkwoord: pensar em, gostar de.