Korte samenvatting
para wijst vooruit naar een doel — waar je naartoe gaat, wat je wilt, wie het krijgt: Vou para o Rio (Ik ga naar Rio), Isso é para você (Dit is voor jou).
por wijst op een oorzaak, pad of prijs — waarom, waar doorheen, hoeveel: Obrigado por tudo (Bedankt voor alles), Paguei cinquenta reais por isso (Ik betaalde daar vijftig real voor).
Het Nederlandse ‘voor’ is de valkuil, omdat het beide dekt. Vraag je voor je spreekt af: doel of reden?
Een werkelijke duur in het verleden kan por of durante gebruiken: Fiquei lá por dois dias (Ik bleef daar twee dagen). Een losse duur kan ook werken buiten een open plek die om een voorzetsel vraagt.
In gewone naamwoordgroepen trekt por + lidwoord samen: por o → pelo, por a → pela (ook pelos, pelas). Een voornaamwoord of onderwerp van een infinitiefzin is een ander geval.
Leer de vaste paren als geheel: por favor (alsjeblieft), por isso (daarom), para sempre (voor altijd).
Spaanstaligen: de grens ligt ergens anders — neem hem niet over.