Korte samenvatting
saber = feiten en vaardigheden. Er kan een zelfstandig naamwoord, que, een vraagwoord of een infinitief op volgen: Eu sei que ela vem. (Ik weet dat ze komt.) Eu sei nadar. (Ik kan zwemmen.)
conhecer = bekendheid. Mensen, plaatsen, liedjes, boeken — alles wat je hebt ontmoet, bezocht of ervaren: Eu conheço o Rio. (Ik ken Rio.)
Beide hebben een onregelmatige eu-vorm: sei en conheço (in de tegenwoordige tijd van de aantonende wijs verschijnt ç alleen in de eu-vorm).
In de pretérito perfeito verschuift de betekenis vaak: soube = kwam te weten, conheci = ontmoette voor het eerst. Conheci a Ana ontem. (Ik heb Ana gisteren ontmoet.)
Gebruik saber om expliciet naar een vaardigheid te vragen: Você sabe falar português? (Kun je Portugees spreken?)
Gebruik saber voor een bekend feit met que. Deze feitelijke bijzinnen horen bij saber.